Publicatiedatum: 9 juli 2026
Universiteit: Erasmus Universiteit Rotterdam
ISBN: 978-94-6534-496-6

WHAT THE FUTURE HOLDS

Samenvatting

Intolerantie voor onzekerheid en neurocognitieve responsen

Onzekerheid is een vast onderdeel van het dagelijks leven. Toch verschillen mensen sterk in hoe belastend zij onzekerheid vinden. Intolerantie voor onzekerheid (Engels: intolerance of uncertainty, IU) verwijst naar de neiging om onzekere situaties als stressvol of bedreigend te ervaren. IU wordt vaak gezien als een transdiagnostisch kenmerk dat samenhangt met internaliserende problematiek, zoals angst- en depressieve klachten. Verschillende cognitieve en affectieve processen dragen bij aan de ontwikkeling en het in stand houden van zulke internaliserende problematiek, maar het is nog onduidelijk hoe deze processen samenhangen met IU. Het doel van dit proefschrift was om te onderzoeken hoe IU samenhangt met cognitieve en affectieve responsen in verschillende experimentele contexten. In Hoofdstuk 2, 3 en 4 worden drie neurocognitieve processen onderzocht: prestatiemonitoring (performance monitoring), angstconditionering en extinctie (fear acquisition and extinction) en beloningsverwerking (reward processing). In deze studies is gebruikgemaakt van gedragsmatige, subjectieve en neurofysiologische maten, waaronder EEG (electro-encefalogram), gebeurtenisgerelateerde potentialen (event-related potentials; ERPs), huidgeleiding (skin conductance responses; SCR) en visueel opgeleverde potentialen (steady-state visually evoked potentials; ssVEP). Daarnaast is IU niet alleen als totaalscore bestudeerd, maar ook uitgesplitst in twee componenten: prospectieve IU (de neiging om onzekerheid actief te willen verminderen, bijvoorbeeld door informatie te zoeken) en remmende IU (de neiging om te blokkeren, vermijden of vast te lopen bij onzekerheid). In Hoofdstuk 5 is vervolgens een data-gedreven benadering gebruikt om te onderzoeken of er in de hele dataset neurocognitieve profielen bestaan die variabiliteit in IU en gerelateerde internaliserende problematiek kunnen verklaren.

Prestatiemonitoring en IU (Hoofdstuk 2)

In Hoofdstuk 2 werd prestatiemonitoring onderzocht met een aangepaste Flanker-taak. Deze taak meet hoe mensen conflicterende informatie verwerken en hoe zij reageren op fouten. De taak riep de verwachte patronen op: fouten gingen gepaard met een vroege ERP-component (error-related negativity; ERN) en een latere ERP-component (error positivity; Pe). Gedragsmatig zagen we dat deelnemers langzamer reageerden na een fout dan na correcte responsen (post-error slowing). Deze resultaten bevestigen dat de taak inderdaad prestatiemonitoring meet. De centrale vraag was vervolgens of IU samenhing met deze neurale en gedragsmatige maten. Over het geheel genomen waren IU en de IU-componenten niet significant gerelateerd aan de ERN of Pe en zij voorspelden ook geen langzamere reacties na fouten. Eén specifiete bevinding viel op: een kleine maar consistente associatie tussen hogere totale IU en een meer negatieve ERP-component na correcte responsen (correct-response negativity; CRN). Dit verband bleef aanwezig na controle voor angst, wat wijst op een zekere mate van specificiteit. Samengevat suggereren de bevindingen dat IU in deze context een beperkte rol speelt bij foutverwerking, maar mogelijk een specifieker verband heeft met de verwerking van correcte responsen.

Angstconditionering, angstextinctie en IU (Hoofdstuk 3)

Hoofdstuk 3 focuste op differentiële angstconditionering en extinctie, met een paradigma waarin de extinctiefase direct volgde op de acquisitiefase. Tijdens de acquisitiefase werd succesvolle conditionering aangetoond op meerdere niveaus: zowel SCR, ssVEP-amplitudes als subjectieve beoordelingen (valentie, arousal en verwachting van dreiging) lieten duidelijk grotere reacties zien op de bedreigende stimulus (CS+) dan op de veilige stimulus (CS−). In de eerste helft van de acquisitiefase waren LPP-amplitudes groter voor de veilige stimulus (CS−) dan voor de bedreigende stimulus (CS+). Dit patroon verdween, in de tweede helft van de acquisitiefase waren er geen verschillen meer tussen de stimuli. Belangrijk is dat IU, zowel de totaalscore als uitgesplitst in de twee componenten, niet samenhing met het aanleren van angst tijdens de acquisitiefase, ongeacht de gebruikte uitkomstmaat. Dit sluit aan bij eerdere bevindingen dat IU tijdens de acquisitiefase niet altijd effecten laat zien, mogelijk omdat situaties met hoge dreiging en duidelijke contingenties weinig ruimte bieden voor verschillen in intolerantie voor onzekerheid. Tijdens de extinctiefase was er sprake van gedeeltelijke extinctieleren. Huidgeleiding (SCR) was aan het einde van de extinctiefase niet langer verschillend tussen de CS+ en de CS−, wat wijst op succesvol extinctieleren op autonoom niveau. Tegelijkertijd bleven ssVEPs, LPP en subjectieve beoordelingen groter voor de CS+ dan voor de CS−, wat suggereert dat deze neurale en subjectieve verschillen langer blijven bestaan. Er was geen effect van IU op deze bevindingen in de extinctiefase, in tegenstelling tot andere studies die vonden dat IU gerelateerd was aan verlaat of verminderd extinctieleren. De rol van IU in angstconditionering en angstextinctie lijkt dus beperkt in dit specifieke onderzoeksdesign waarin relatief veel CS+ stimuli werden gepaard met een schok tijdens de acquisitiefase en er geen instructies waren in de extinctiefase die daar meteen op volgde.

Beloningsverwerking en IU (Hoofdstuk 4)

In Hoofdstuk 4 werd beloningsverwerking onderzocht met een aangepaste Doors-taak, waarin deelnemers financiële feedback ontvingen (geldbeloning versus geen beloning) nadat ze gekozen hadden tussen opties met uiteenlopende kansen op beloning (laag, hoog en ambigu). Feedback-gerelateerde ERPs werden beïnvloed door feedbacktype en risico: beloningen gingen gepaard met positievere amplitudes en alle reacties waren groter als het risico hoog was. Voor IU totaalscore werd er geen consistent verband gevonden met electrocorticale responsen. Daarentegen vertoonden de IU-componenten tegengestelde effecten: prospectieve IU hing samen met grotere ERP-amplitudes na zowel beloning als geen beloning, terwijl remmende IU juist samenhing met kleinere ERP-amplitudes na zowel beloning als geen beloning. Deze effecten bleven bestaan nadat er werd gecontroleerd voor depressieve symptomen, angst en piekeren. Daarmee laten de resultaten zien dat het onderscheiden van IU-componenten cruciaal kan zijn om te begrijpen hoe intolerantie van onzekerheid gerelateerd is aan electrocorticale responsiviteit tijdens feedbackverwerking. Daarnaast werd gevonden dat depressieve symptomen samenhingen met verminderde ERP-amplitudes als er geen beloning kwam, wat aansluit bij de literatuur over afgevlakte responsiviteit voor negatieve of teleurstellende uitkomsten bij mensen met depressieve klachten.

Neurocognitieve profielen gebaseerd op alle taken (Hoofdstuk 5)

Hoofdstuk 5 integreerde alle maten uit de drie experimentele taken met een latente profielanalyse (latent profile analysis; LPA). Het doel was om te onderzoeken of er subgroepen mensen bestaan met een vergelijkbaar patroon van neurocognitieve responsen in één of meerdere processen. De analyse leverde drie profielen op: profiel 1 werd gekenmerkt door hoge reacties op dreiging en prestatie (grotere ERN/CRN en Pe; hogere ssVEP-responsen op stimuli) in combinatie met lage reacties op uitkomst (lagere feedback-gerelateerde ERPs); profiel 2 liet juist sterkere feedback-gerelateerde ERPs zien, terwijl de overige processen grotendeels gemiddeld waren; profiel 3 scoorde rond het steekproefgemiddelde op de meeste maten, met lagere ssVEP-responsen tijdens angstconditionering. Opvallend was dat deze profielen niet betekenisvol verschilden in IU en ook niet in depressieve symptomen of piekeren. Angst was enigszins hoger in profiel 1, maar dit moet voorzichtig geïnterpreteerd worden. Deze resultaten laten zien dat er duidelijke en interpreteerbare variatie bestaat in neurocognitieve responsiviteit, maar dat de relatie met karaktereigenschappen in deze steekproef beperkt was.

Overkoepelende conclusie

De bevindingen van dit proefschrift schetsen een genuanceerd beeld over de rol van intolerantie voor onzekerheid in neurocognitieve processen. IU bleek niet samen te hangen met de meeste onderzochte neurocognitieve processen. Er werd wel een matig verband gevonden tussen totale IU en neurale verwerking van correcte responsen tijdens prestatiemonitoring en tegengestelde verbanden voor prospectieve en remmende IU met neurale responsiviteit op feedback tijdens beloningsverwerking. De latente profielanalyse toonde daarnaast dat er taak-overstijgende neurocognitieve profielen bestaan, maar dat de mensen met deze profielen niet verschilden in IU. Samen suggereren de resultaten van dit proefschrift dat de invloed van IU contextafhankelijk is en dat het onderscheiden van IU-componenten belangrijk is om de relatie tussen intolerantie voor onzekerheid en neurocognitieve processen te begrijpen. Deze bevindingen dragen bij aan het verfijnen van theorieën over IU en leveren aanknopingspunten voor toekomstig onderzoek naar wanneer, hoe en bij wie intolerantie voor onzekerheid het sterkst doorwerkt in neurocognitieve processen die relevant zijn voor internaliserende problematiek.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten

This site is registered on wpml.org as a development site. Switch to a production site key to remove this banner.