Publicatiedatum: 27 juni 2025
Universiteit: University of Groningen

Beyond diagnostic boundaries

Samenvatting

Gebrek aan motivatie (apathie), chronische slapeloosheid, moeite met het voorstellen van een positieve toekomst en suïcidale gedachten en gedragingen (suïcidaliteit) zijn symptomen of fenomenen die voorkomen bij verschillende psychiatrische aandoeningen, zoals depressie, schizofrenie of angststoornissen. Door een transdiagnostische benadering bestuderen we deze gedeelde symptomen, waarbij we focussen op gemeenschappelijke mechanismen in plaats van ze te bekijken binnen het kader van één diagnose. Deze aanpak kan helpen bij het vaststellen van de relevantie van symptomen en hun voortgang voor het beloop van psychiatrische aandoeningen, het ontwikkelen van preventieve strategieën, en het ontwerpen van gerichte interventies. De transdiagnostische benadering richt zich op het begrijpen van een specifiek symptoom bij meerdere psychiatrische aandoeningen of niet-klinische populaties (bijvoorbeeld het onderzoeken van motivatieverlies bij zowel klinische als niet-klinische groepen), in plaats van symptomen en hun onderliggende mechanismen te begrijpen in de context van één stoornis (zoals suïcidaal gedrag uitsluitend bij depressie). Hierdoor kunnen we gemeenschappelijke oorzakelijke factoren onderzoeken en psychopathologie in verband brengen met neurale mechanismen onderliggend aan deze symptomen, evenals verschillen ten opzichte van niet-klinische populaties bestuderen. Dit biedt nieuwe inzichten in de overlap of specificiteit van symptomen bij verschillende psychiatrische aandoeningen. In dit proefschrift onderzochten we de neurofysiologische en psychologische verbanden van drie veelvoorkomende psychiatrische symptomen: suïcidaliteit (inclusief suïcidale gedachten en gedrag), apathie (verminderde motivatie), en slapeloosheid, via relevante emotionele en cognitieve processen.

Het Research Domain Criteria (RDoC) raamwerk, geïntroduceerd in 2009, stelt voor om geestelijke gezondheid te bestuderen door meerdere niveaus en soorten neurobiologische gegevens te integreren, waaronder hersencircuits, fysiologie, gedrag en zelf/gerapporteerde ervaringen, in zes belangrijke functionele domeinen (te weten. negatieve emotionele valentie, positieve emotionele valentie, cognitieve controle, sociale verwerking, opwinding/regulatie en sensorisch-motorische systemen). Het RDoC beveelt een transdiagnostische of dimensionale benadering aan voor het bestuderen van een reeks verschijnselen van normaal tot abnormaal, waarbij de voorkeur wordt gegeven aan objectief experimenteel bewijs boven categorische diagnostische richtlijnen gebaseerd op de consensus van psychiatrische experts. Daarbij legt het de nadruk op het bestuderen van onderliggende pathologische mechanismen en psychologische processen die ten grondslag liggen aan psychiatrische symptomen. Het RDoC raamwerk voor transdiagnostisch onderzoek werd in dit proefschrift toegepast om de neurofysiologische associaties van suïcidaliteit, apathie en slapeloosheid te onderzoeken. We bestudeerden deze transdiagnostische symptomen op het gebied van positieve emotionele valentie, cognitieve controle, arousal en regulatie, en sensorimotorische functionele systemen met behulp van neurale circuits, fysiologie, gedrags- en zelfrapportagemetingen binnen het RDoC raamwerk. We onderzochten de psychologische processen van positief toekomstgericht denken en de neurale mechanismen die samenhangen met suïcidaliteit bij psychiatrische stoornissen. Inhibitoire controle werd gekoppeld aan verbindingen in hersennetwerken die in verband worden gebracht met de ernst van apathiesymptomen bij schizofrenie, evenals associaties tussen het gebruik van motorische activiteiten en apathie bij schizofrenie. Apathie komt ook voor bij verschillende andere klinische aandoeningen, zoals depressieve stoornissen, de ziekte van Alzheimer en de ziekte van Parkinson, maar ook bij niet-klinische populaties. Hoewel dit proefschrift voornamelijk de manifestatie bij schizofrenie onderzoekt, kan het toch inzichten verschaffen in transdiagnostische relevantie. Tot slot beoordeelden we de effectiviteit van eHealth psychosociale interventies in het verbeteren van slapeloosheidssymptomen in verschillende populaties. Hieronder volgt een samenvatting van de specifieke vragen die we in elk onderdeel onderzochten en onze bevindingen.

Vraag 1: Verschillen de ervaren levendigheid van voorstellingen en hersenactivatie tijdens positief toekomstgericht denken bij mensen met een psychiatrische stoornis die recent een suïcidepoging hebben ondernomen van mensen die ook lijden aan een psychiatrische stoornis maar die nooit een suïcidepoging hebben gedaan en van niet-psychiatrische controles? Zijn de neurale correlaten van positief toekomstgericht denken geassocieerd met het risico op suïcide?

Patiënten met psychiatrische stoornissen lopen een hoger risico op suïcide, Hoofdstuk 2 heeft als doel te begrijpen of de neurale capaciteit in het levendig voorstellen van positieve toekomstscenario's verschilt tussen mensen met en zonder een recente suïcidepoging in de afgelopen zes maanden. We vergeleken hoe levendig mensen met psychiatrische problemen met recente suïcidepogingen, mensen met psychiatrische problemen zonder pogingen en mensen zonder psychiatrische problemen zich positieve toekomstige gebeurtenissen voorstelden (bijv. een gelukkige vakantie) en neutrale gebeurtenissen (bijv. pendelen naar het werk). Mensen met psychiatrische problemen vertoonden over het algemeen moeite met het zich levendig voorstellen van positieve scenario's in vergelijking met mensen zonder psychiatrische problemen, wat samenhing met verhoogde activatie van lateraal frontale hersengebieden in de linkerhersenhelft. Deze gebieden zijn belangrijk voor cognitieve controle. Er werd geen verschillen gevonden in levendigheid van voorstelling en hersenactivatie tussen mensen die recent een suïcidepoging hebben ondernomen en mensen die dat nog nooit hebben gedaan. Bij het zich voorstellen van positieve gebeurtenissen vertoonden mensen met psychiatrische problemen die een hoge mate van hopeloosheid ervoeren, minder hersenactiviteit in gebieden die verband houden met verwerking van beloning en de verwerking van emoties (d.w.z. de orbitofrontale cortex en de frontale pool) minder. Deze verminderde hersenactivatie was gerelateerd aan suïcidale gedachten, via hopeloosheid, en met name bij patiënten met een recente suïcidepoging. Deze studie suggereert een complexe interactie tussen positief toekomstgericht denken en suïcidaliteit, en interventies die zich richten op deze hersengebieden en die hoop stimuleren zouden het risico op suïcide kunnen verminderen.

Vraag 2: Is apathie geassocieerd met verminderde remming bij schizofrenie? Is er een verband tussen verminderde motorische activiteit en apathie en verminderde remming?

Apathie (gebrek aan motivatie en interesse in werk of andere activiteiten van het dagelijks leven, passiviteit en terugtrekking) komt veel voor in klinische en niet-klinische populaties. Bij patiënten met schizofrenie is apathie een van de typische, veel voorkomende, negatieve symptomen die de levenskwaliteit en het cognitief functioneren aantasten. Het afremmen van doelirrelevante handelingen is een belangrijke cognitieve controlefunctie voor het uitvoeren van doelgericht gedrag. Dit remmend vermogen wordt ook wel inhibitie genoemd. Het is echter onduidelijk of apathie (een vermindering van doelgericht gedrag) en de daarmee samenhangende vermindering van motorische activiteit gerelateerd zijn aan inhibitie-gerelateerde neurale netwerken. Hoofdstuk 3 onderzocht de associatie van de Go/No-Go inhibitie-taak bij mensen met schizofrenie op gedrags- en neurale netwerkniveau met apathie en motorische activiteit. De resultaten lieten zien dat hoe hoger het niveau van apathie, hoe minder motorische activiteit, hoe lager de algehele nauwkeurigheid van inhibitie. Op het niveau van de neurale netwerken vertoonden patiënten met schizofrenie en ernstige apathie minder motorische activiteit en een slechtere prestatie op de inhibitie-taak, wat geassocieerd was met een lagere betrokkenheid van de aandachts- en taak-negatieve netwerken tijdens inhibitie. Deze netwerken zijn betrokken bij het vasthouden van aandacht voor de taak. Veranderingen in inhibitie-gerelateerde neurale netwerken kunnen de moeilijkheid verklaren om doelgericht gedrag uit te voeren. Motorische activiteitsniveaus en variabiliteit waren niet gerelateerd aan neurale netwerkactiviteit tijdens de taak. Dit suggereert dat motorische activiteit weinig zegt over cognitieve processen die een rol spelen bij apathie.

Vraag 3: Kan motorische activiteit informeren over apathie bij mensen met schizofrenie, ook nadat rekening is gehouden met factoren zoals gewicht, slaap, medicatie en depressieve symptomen?

In hoofdstuk 4 onderzochten we de samenhang tussen apathieniveaus en motorische activiteit. We vergeleken een aantal indicatoren van motorische activiteit bij patiënten met schizofrenie met en zonder ernstige apathiesymptomen en een groep niet-psychiatrische controles. Spontane motorische activiteit werd gedurende twee weekenddagen verzameld met behulp van een activity tracker die om de pols gedragen werd (d.w.z. actigraph). We kozen voor het meten tijdens weekend dagen omdat activiteit dan minder wordt gedreven door werk of therapie. De resultaten toonden aan dat mensen met ernstige apathie minder bewogen, minder stappen zetten en minder variatie in motorische activiteit hadden. Deze associaties waren onafhankelijk van leeftijd, roken, lichaamsgewicht, positieve symptomen, mediagebruik en depressieve symptomen. Het gemiddelde aantal stappen in de meest actieve periode van tien uur was de sterkste voorspeller van de ernst van apathie. Onze studie ondersteunt de toepassing van actigrafie-apparaten als aanvullende beoordeling bij klinische screening en identificeert patiënten met een hoge apathie die aanvullende diagnostiek en behandeling nodig hebben.

Vraag 4: In hoeverre zijn eHealth-gebaseerde psychosociale interventies voor slapeloosheid effectief? Is de effectiviteit verschillend voor specifieke populaties? Welke kenmerken van de interventie en specifieke factoren beïnvloeden de effectiviteit van de behandeling?

Hoofdstuk 5 evalueert het bestaande bewijs over de effectiviteit van eHealth-gebaseerde psychosociale interventies voor slapeloosheid bij volwassenen. Hiervoor evalueerden we een groot aantal studies, ook wel een meta-analyse genoemd. Deze meta-analyse wees uit dat eHealth-interventies effectief de ernst van slapeloosheid verminderden en de slaapkwaliteit verbeterden in vergelijking met controlegroepen die geen interventie ontvingen. Hoewel eHealth-gebaseerde psychotherapie even effectief was in het verminderen van slapeloosheidssymptomen als behandeling gegeven door een therapeut, bleek behandeling gegeven door een therapeut een groter voordeel te hebben in het verbeteren van de slaapkwaliteit. Grotere verbeteringen in de ernst van slapeloosheid werden waargenomen in onderzoeken waarin mensen met slapeloosheid werden begeleid door ervaren therapeuten, waarin deelnemers deelnamen met een hogere ernst van slapeloosheid bij aanvang en bij een langere duur van de interventie. Daarnaast verbeterden eHealth interventies voor slapeloosheid ook de stemming en de kwaliteit van leven, wat aantoont dat betere slaap rimpelingseffecten kan hebben op de mentale gezondheid. Deze systematische review suggereert dat eHealth-interventies beschouwd kunnen worden als een veelbelovende behandeling voor slapeloosheid en ondersteunt de aanbeveling om eHealth interventies breder in te zetten. Gemengde eHealth-interventies met minimale begeleiding door een therapeut kunnen op maat gemaakt worden om beter tegemoet te komen aan individuen met specifieke behoeften.

Samengevat werden in dit proefschrift de hersen- en gedragspatronen die samenhangen met zelfmoord, apathie en slapeloosheid onderzocht, wat nieuwe inzichten op heeft geleverd voor hoe symptomen te identificeren en voorde ontwikkeling van preventie- en interventiestrategieën.

Bekijk ook deze proefschriften

Wij drukken voor de volgende universiteiten